Van hiv-slachtoffer tot pleitbezorgster voor hiv-empowerment
Op 8 maart 2004, Internationale Vrouwendag, organiseerden het NIGZ, STOP AIDS NOW, AMC en Aids Fonds een bijeenkomst over het onderwerp empowerment van (allochtone) vrouwen met hiv in Nederland. Een van de bijzondere gastspreeksters die middag was Josephine Okumu. Deze van oorsprong Keniaanse vrouw is lid van de zelforganisatie PAMA (Positive African Mutual Aid) in Amsterdam. Een profiel van een vrouw met een boodschap voor hiv-geïnfecteerde (allochtone) vrouwen: kom ervoor uit!
In het statige Rotterdamse Ron Wichmanhuis vallen dunne zonnestralen door de hoge ramen. Josephine Okumu is net binnengekomen en zit nu rustig aan de thee. Ze neemt de vragen door die we opgesteld hebben, en kijkt af en toe vorsend naar ons. ‘These are nice questions’ besluit ze. En alsof er geen vragen bestonden, neemt ze plotseling het woord, en zal dat drie uur lang zonder onderbreking vasthouden. Een weergave van haar persoonlijke verhaal:
Josphines story
Josephines verhaal begint in Kenia, waar ze als 14-jarige een kind krijgt, dat ze achterlaat bij haar familie, om naar school te kunnen blijven gaan. Ze begint een relatie met een vriend die ze op haar middelbare school heeft leren kennen, en trekt meteen na het afronden van de opleiding in bij de familie van haar vriend. Daar raakt ze zwanger en krijgt haar tweede kind. In het jonge gezin gaat zij al snel gebukt onder slaande ruzies en seksueel geweld. Ze bezoekt in 1989 een vriendin in Engeland met wie ze haar problemen bespreekt, en deze overtuigt haar dat ze niet langer bij haar man moet blijven. Thuis ontdekt ze dat haar man een minnares heeft. Dat doet voor haar de deur dicht.
Bij toeval, als ze door omstandigheden in een gevangenishospitaal in Nairobi wordt behandeld voor verwondingen, krijgt ze contact met een Nederlandse vrouw in Nairobi, voor wie ze in Nederland contact legt met familie in de Bijlmermeer. Ze blijft een tijd in Nederland wonen, en ontmoet een Nederlandse man uit Limburg. Een van de eerste mannen die haar met respect en waardering behandelt. Het wordt een vriendschap, die zich een jaar later heeft ontwikkeld tot een intieme relatie. In 1992 weet ze haar kind uit Kenia toegewezen te krijgen, en trekt ze definitief in bij de Limburgse partner die eigenaar is van een café.
In 1994 doen ze, om helemaal zeker te zijn, een aidstest, waaruit blijkt dat ze beiden hiv-negatief zijn. Josephines leven lijkt definitief opgeklaard, en ze bouwt een leven op in Limburg. Ze werkt in het café van haar partner, en voedt er haar dochter op. Na twee jaar is ze niet alleen onmisbaar voor het café geworden, maar organiseert ze ook het hele huishouden. Toch is ze niet zelfstandig, en ze bespreekt met haar partner de mogelijkheid om voortaan betaald te worden voor het werk in het café. Dat veroorzaakt een scheurtje in de relatie, dat uiteindelijk van groot belang zal blijken.
Haar besluit staat inmiddels vast, dat ze haar Limburgse man na enige tijd zal verlaten. Zij stelt hem daarvan in kennis. Ze krijgt in die tijd weer contact met de Keniaanse vader van haar tweede kind, die na omzwervingen in Zuid-Afrika is teruggekeerd naar Kenia. Ze besluit na lang wikken en wegen hem te gaan ontmoeten in 1996. Een jaar later gaat ze naar Kenia, om opnieuw een relatie aan te gaan met de vader van haar tweede kind. Een week in een hotel leidt tot een hereniging op alle fronten, ook seksueel. Daarbij blijkt een ondeugdelijk condoom te zijn gebruikt. Terug in Limburg doet ze een zwangerschapstest: ze blijkt niet zwanger.
Toch voelt ze zich de tijd daarna niet goed, en bezoekt uiteindelijk een arts. Ze heeft last van hoofdpijn die zich over haar hele linker gezichtshelft uitbreidt. De arts test haar op allerlei zaken, behalve hiv. Na lang aandringen van de arts staat ze toe dat de test wordt gedaan en blijkt de uitkomst hiv-positief. Ze verblijft twee maanden in het ziekenhuis voor verpleging en ontmoet daar ook angst: een verpleegster verpleegt haar zelfs speciaal met twee paar handschoenen aan haar handen. Met een recept van 36 pillen per dag wordt Josephine daarna huiswaarts gezonden, en houdt haar ziekte geheim voor haar kind en de gehele omgeving. Tegen mensen die ernaar vragen zegt ze dat ze leukemie heeft. De te grote afhankelijkheid van haar Limburgse man maakt, dat zij de hiv-infectie ook voor hem geheim houdt. Een half jaar daarna zal zij immers haar verblijfsstatus krijgen, want dan heeft ze het totaal aantal benodigde jaren met hem samengewoond. Tot die tijd probeert zij bij hem te blijven wonen met haar kind en het voor hem geheim te houden. Van een echte relatie is immers al lang geen sprake meer, en voor beiden is dit geen probleem. Ze weegt inmiddels nog maar 38 kilo. Het is dan 1998.
Ze besluit in de tussentijd af te reizen naar Kenia om haar familie in te lichten over haar infectie en de vader van haar tweede kind te confronteren met de feiten, en ze laat haar dochter achter in Limburg. In Kenia wordt ze geconfronteerd met de vader, die dronken van het vliegveld komt en een afschuwelijke onthulling doet: hij blijkt haar met opzet geïnfecteerd te hebben, als wraak voor het feit dat ze hem had verlaten. Hij blijkt eveneens al die tijd te hebben geweten dat hij hiv-geïnfecteerd was. IJllings verlaat ze Kenia.
Vlak na haar thuiskomst in Limburg verzoekt de Limburgse man haar om te vertrekken, omdat hij samen met zijn ex-vrouw verder wilde leven. Echter, ze heeft geen geld en ook geen status. Door de situatie gedwongen trekt ze compleet berooid en rechteloos in november in een leegstaand appartement zonder verwarming in Roermond. Ze overweegt in die dagen zelfmoord te plegen, maar na een maand verkrijgt ze van de gemeente Roermond een uitkering en een driekamerappartement, waar ze met haar dochters intrekt. Ze woont vier jaar in Roermond.
In 1999 nemen de zaken een andere wending: ze ontmoet ze in Roermond een man op wie ze erg gesteld raakt, en na drie jaar trekt ze bij hem in in zijn huis in Rotterdam. Dan begint voor haar eindelijk een periode van relatieve rust.
Coming out
Josephine valt op dat moment in haar verhaal voor het eerst stil. Voor ons de gelegenheid de brug naar 2004 te slaan. In de tussentijd is er minstens zoveel met haar gebeurd, maar dan van binnen. Op een goed moment besluit ze uit te komen voor haar hiv-status. Ze heeft inmiddels bemerkt dat ze niet alleen door de medicamenten wordt belast, maar ook door het feit dat ze haar hiv-status met zich meedraagt als een geheim. Ook voor haar kinderen. Op het moment dat ze de patstelling doorbreekt, blijkt zich een andere wereld voor haar te openen. In Nederland ontmoet ze veel openheid over seksualiteit en hiv, maar niet onder heterogroepen en allochtone bevolkingsgroepen. Zelf raakt ze in contact met veel Afrikaanse vrouwen én mannen die net als zij rondlopen met de wetenschap dat ze hiv positief zijn, maar dat niet kunnen delen, zelfs niet met hun partner. Ze ziet dat de culturele dwang om daar niet over te spreken, om zelfs seksuele infectieziekten in al hun uitingsvormen te ontkennen, veel meer moeilijkheden oplevert dan uitkomen voor het hiv-patiënt zijn. Ook valt haar op dat mensen die niet hiv-geïnfecteerd zijn, zo gemakkelijk aannemen dat ze onkwetsbaar zijn.
‘Hiv is ONLY a virus..’, stelt ze dan ook nadrukkelijk: ‘…geen aanleiding voor een persoonlijkheidswijziging. Door uit te komen voor je hiv-status help je niet alleen jezelf door je te bevrijden van je last, maar win je ook meer. Het is al erg genoeg dat je ziek bent, laat die ziekte je niet isoleren.’ Daarbij is ze kritisch over de rol van de kerken. In een documentaire van AT5 waarin ze ook haar verhaal vertelt, ziet ze tot haar ontzetting dat een pastoor zijn geloofsgenoten voorhoudt: door aids verlies je al je vrienden. Ze is furieus over die opmerkingen, want het is precies andersom: ‘Door duidelijk te maken wat er met je is, win je juist je vrienden voor je en zul je ook nieuwe vrienden krijgen. De enigen die je verliest zijn de mensen die niet eerlijk tegen je zijn.’ En voor hiv-dragers is er ook een dure plicht bij het ervoor uitkomen: alleen al de partner informeren over je gesteldheid is wel het minste. Volgens Josephine zitten talloze allochtone vrouwen en mannen met dat probleem. Tot slot stelt ze, kun je door je coming out hulp geven aan anderen: in het proces van ervoor uit komen, maar ook in het elkaar opvangen als het in een later stadium gewoon fysiek te zwaar wordt.
Josephine is ervan overtuigd dat er meer mensen in Nederland hiv-geïnfecteerd zijn dan de officiële lezingen aangeven. Zo heeft ze grote moeite te aanvaarden dat er zo weinig cijfers bekend zijn van heteroseksuele autochtone en allochtone hiv-dragers. Ze pleit voor openheid van niet alleen de betrokken instanties maar ook bij de patiënten. De rol van allochtone zelf(hulp)organisaties is daarbij van groot belang, evenals die van lokale geloofsgemeenschappen. Zij kunnen hun achterban bereiken met informatie en voorlichting over hiv en zij kunnen ook een rol spelen in het stimuleren van het zelfbewustzijn van hiv-patiënten. Volgens Josephine zijn vrouwen daar het best voor te benaderen. Juist omdat zij vaak op drie manieren het slachtoffer zijn: van de hiv-besmetting, van hun seksuele socialisatie (of liever: isolatie) en van het (seksueel) misbruik en mishandeling binnen de relatie. Redenen genoeg voor Josephine om persoonlijk de strijd aan te gaan, niet alleen tegen de directe gevolgen van hiv voor het fysieke, psychische en sociale leven, maar ook om vrouwen te helpen zich tegen die gevolgen te wapenen.
Met oprechte dank aan "Lady Josephine Okumu",